Al ruim twee weken zit ik thuis met nekklachten. Wat begon als ‘vast wat spierpijn’, bleek uiteindelijk een zenuwbeknelling. En ineens werd ik stilgezet.
Voor iemand die graag actief is, graag beweegt, onderneemt, plant en uitvoert, is dat geen kleine onderbreking. Het is een abrupte pas op de plaats. Mijn wereld werd kleiner: minder vrijheid, minder energie, minder kunnen.
Toen de huisarts de diagnose stelde, begon ik eigenlijk best goedgemutst aan deze periode. Mijn koffie smaakte prima. Een taartje ging er ook nog wel in. Ik had podcasts om te luisteren, films om te kijken, preken om te overdenken en boeken om te lezen. ‘Dit red ik wel,’ dacht ik. Maar na een week kantelde er iets.
De pijn bleef. Mijn nachtrust bleef rommelig en overdag sliep ik bij. Mijn wereld werd niet alleen kleiner, maar ook stiller. En die stilte werd niet alleen rustgevend – ze werd ook confronterend. Ik merkte verdriet. Irritatie. En ja, ook zelfmedelijden.
Er is een soort positiviteit die het een tijdje volhoudt. Maar als pijn aanhoudt, als afhankelijkheid blijft, als je merkt dat je agenda doorgaat maar jij niet – dan wordt het ingewikkelder.
Ik vond mezelf een beetje zielig.
En juist op dat punt moest ik denken aan een tekst uit 2 Korintiërs 10:5, zoals die zo mooi verwoord wordt in The Message:
‘We brengen elke gedachte, elke impuls en emotie onder in de levensstructuur die Christus vormgegeven heeft.’
Dat bleef bij me hangen.
Elke gedachte.
Elke impuls.
Elke emotie.
Ook zelfmedelijden. Ook irritatie. Ook verdriet. Ik vroeg me af: wat betekent dat eigenlijk, in de praktijk? Hoe ziet het eruit om mijn gedachten en emoties onder de gehoorzaamheid van Jezus te plaatsen – juist als het moeilijk is? Want eerlijk: het is niet zo ingewikkeld om mooie woorden te spreken als alles soepel loopt. Maar wanneer het schuurt? Wanneer het pijn doet? Wanneer je beperkt wordt?
Toen luisterde ik een preek over Matteüs 11:29
‘Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.’
Misschien is dát de levensstructuur van Jezus. En toen drong er nog iets tot me door.
Als er íemand reden had tot zelfmedelijden, dan was het Jezus wel. Toch zie je bij Hem iets anders. Hij ontwijkt het lijden niet. Sterker nog: Hij gaat het bewust tegemoet. In gehoorzaamheid. In vertrouwen. Met het oog op de vreugde die vóór Hem lag. Aan het kruis doet Hij geen beroep op Zijn macht om eronderuit te komen. Hij blijft. Hij draagt. Hij volhardt.
Dat intrigeert me.
Want als iemand mij zou aanbieden: ‘En dan ben je van die pijn af’, dan zou ik dat onmiddellijk aannemen. Jezus niet. Niet omdat Hij van pijn hield. Maar omdat Hij een missie had. Omdat Hij vertrouwde. Omdat Hij wist dat gehoorzaamheid geen verlies is, maar een weg naar leven.
Toen ik dat besefte, gebeurde er iets in mij. De woorden “zachtmoedig en nederig van hart” maakten me milder. Niet strenger voor mezelf – maar juist milder.
Nederigheid betekent ook: erkennen dat ik beperkt ben. Dat ik niet alles kan. Dat ik afhankelijk ben. En misschien – hoe ongemakkelijk ook – zit daar zelfs iets moois in. Afhankelijkheid is in onze cultuur geen aantrekkelijke waarde. We willen sterk zijn, zelfstandig, productief. Maar misschien is afhankelijkheid wel een oefenplaats. Een plek waar ik leer ontvangen in plaats van presteren. Waar ik leer rusten in plaats van rennen. Waar ik leer dat mijn waarde niet zit in wat ik doe, maar in ‘van Wie ik ben’.
Dus nu oefen ik. Niet perfect. Niet zonder terugval. Wanneer irritatie opkomt, breng ik die gedachte onder Jezus. Wanneer verdriet me overvalt, leg ik het bij Hem neer. Wanneer zelfmedelijden de kop opsteekt, herinner ik mezelf aan Zijn zachtmoedigheid.
Niet om mezelf weg te drukken. Maar om mezelf te vormen.
Misschien is dat wat het betekent: Elke gedachte, elke impuls, elke emotie niet ontkennen, maar ze binnenbrengen in Zijn levensstructuur. En daar – in die zachte, nederige houding – ontdek ik iets onverwachts:
Dat zelfs stilgezet worden vrucht kan dragen.
Dat zelfs pijn mij kan vormen.
En dat afhankelijkheid geen zwakte hoeft te zijn, maar een weg naar diepere kracht.
Hanna Swart
Uit het gemeenteblad Cifrah - maart 2026
Afgelopen oktober mocht ik voorgaan in de prediking en de gemeente meenemen op het pad van de schepping (Genesis 1) naar de herschepping (Openbaring 21). Een geweldige reis die wij als mensheid maken onder het toeziend oog van God. We mochten stiltaan bij het feit dat zowel aan het begin van onze geschiedenis als aan dat bijzondere moment van ‘opnieuw beginnen’, God het verlangen laat zien om met de mens op te trekken op een heel directe manier. Niet een relatie op afstand, maar een wandelen met elkaar, relatie bouwen en zij-aan-zij wandelen op het pad. God geeft dat vorm door een bijzondere plek te creëren, eerst ‘de Hof van Eden’, straks ‘het Nieuwe Jeruzalem’. Die directe omgang werd echter verstoord door de zondeval, het moment dat de mens zijn heilige status verloor en direct contact niet meer mogelijk was.
Het thema van die lofprijsconferentie was: ‘Send Judah first!’ Als je worstelt met situaties in je leven, is vaak het eerste wat verstomt het prijzen van God. Om dan de keuze te maken om dat toch te doen, gaat niet vanzelf, ook bij mij niet, ondanks mijn ervaring op De Bron. Het vraagt elke keer weer die beslissing: ‘Nu zal ik de HEER loven!’
Je kijken wordt sterk bepaald door de bril die je op hebt, al heb je dat vaak niet door. Dat is ook zo in je geloof. De bril die je op hebt en hoe je naar het geloof kijkt, is ontstaan door wat je geleerd hebt door ervaringen. Het gezin waar je uitkomt, het land waarin je woont, de school waar je naar toe bent gegaan en de kerk waar je onderdeel van bent.
Ik heb van de kinderdienst van zondag 16 januari genoten. Jong en oud bij elkaar, samen delen, slingers maken en samen cake eten! Het verhaal van de ‘verloren’ zoon stond centraal. Mattanja nodigde ons uit om met je buurman/vrouw in gesprek te gaan over de vraag: ‘Waarom was de vader blij toen de jongste zoon weer thuis kwam?’ Dat leek mij geen moeilijke vraag, welke vader zou niet blij zijn? Mijn gesprekspartner, Shahram, verwoordde het echter op een hele treffende manier (even in mijn woorden): de vader was blij omdat de zoon ontdekt had dat er geen betere plek was dan bij de vader.
Op een keer, toen zijn ezelinnen waren zoekgeraakt, zei Kis tegen zijn zoon: ’Vooruit, ga jij met een van de knechten de ezelinnen zoeken’. 1 Samuël 9:3
In het Hebreeuws wordt de vraag ‘mens waar je?’ samengevat in één woord: Ayeka.
Tijdens de inventarisatie van bijbelteksten met het Hebreeuwse begrip ‘hineni’ er in, raakte ik steeds dieper onder de indruk van de volhardendheid van God. Maar liefst 139 keer roept Hij het als het ware uit: ‘Zie Mij!’ ‘Kijk nou toch!’ ‘Hier moet je zijn!’ En de wereld holt maar door op weg naar nog meer polarisatie. God lijkt zo wel een roepende in de woestijn.
In Openbaring 1:8 maakt God zich bekend en laat zien wie Hij is: